Nummer van de dag: ‘Stopping by’ van Jason Isbell & The 400 Unit

Een paar weken geleden schreef gastblogger Jenno Nijhoff al over zijn geografische fascinatie met muziek. Waar hij het vooral had over de plek waar muziek het best tot zijn recht komt, interesseert het mij juist waar de muziek vandaan komt. Of beter gezegd, waar de inspiratie voor die muziek zijn oorsprong vindt. Een straat waar een artiest is opgegroeid, het steegje waar voor het eerst gezoend werd of het huis waarin een slopende relatie tot zijn dramatische eind komt, je kunt er eindeloos je eigen beelden bij bedenken. Sinds de komst van Google Street View heeft die fascinatie trouwens weer compleet nieuwe vormen aangenomen. Benieuwd hoe die corner of 52nd and Broadway eruitziet waar Rancid in het nummer ‘Olympia, WA’ over zingt? Een muisklik en je kunt virtueel meehangen.

Small town life

Hartstikke leuk, die muziekbeleving 2.0, maar een goede song heeft dat soort hulpmiddelen natuurlijk niet nodig. Bruce Springsteen en Bob Dylan zijn meesters in het scheppen van dit soort sfeerbeelden, maar ook de huidige generatie artiesten kent enkele van die geniale vertellers. Bon Ivers laatste plaat bijvoorbeeld, al zo’n reis op zich dat je eigenlijk niet eens meer op vakantie hoeft. Jason Isbell beschikt ook over die gave, waarmee hij geregeld een romantisch beeld schetst van het small town life in Alabama. Een journalist omschreef het gevoel dat zijn teksten oproepen eens treffend als “heimwee naar een plek waar je nog nooit bent geweest.”

De eerste regels tekst uit ‘Stopping by’ hebben dat effect al gelijk:

Driving to a baseball game on a Friday afternoon
Hotter than hell in Atlanta, Georgia

Je ziet jezelf er toch al naast zitten? Het vrijdagmiddaggevoel, de zinderende hitte, een ronkende Amerikaanse bak onder je kont… het zijn slechts twee regels tekst maar de setting van het nummer is direct al glashelder. Als je het nummer verder beluistert ontdek je al snel dat dit geen gezellig avondje honkbal met bier en vrienden wordt, maar dat de hoofdpersoon onderweg ernaartoe zijn/haar vader gaat weerzien. Een ongemakkelijke ontmoeting waarschijnlijk, aangezien de vader het tijdens de jeugd van de verteller duidelijk heeft laten afweten.

Goodbye Truckers

Behalve de tekst is ook de muziek van Isbell perfect om beelden zoals hiervoor genoemd te versterken. De broeierige gitaren, de bijna met tegenzin slepende hi-hat, Isbells zuidelijk accent, het past allemaal perfect in het plaatje. Dat talent liet hij eerder trouwens ook al horen bij de Drive-By Truckers, waar Isbell gitaar speelde en zong tussen 2001 en 2007. Zowel qua stem als gitaarspel een enorme aanwinst, die helaas slechts drie albums mee ging. Zijn relatie met bassiste Shonna Tucker leidde tot uiteindelijk onwerkbare spanningen binnen de band (fraai vastgelegd in de documentaire The secret to a happy ending), waarna Isbell de band verliet.

In plaats van te gaan zitten mokken om deze tegenslag kwam Isbell drie maanden later al met zijn soloalbum Sirens of the ditch, [ref]het materiaal voor Sirens of the ditch werd al geschreven tijdens Isbells periode bij de Drive-By Truckers, zijn oude bandmaat Patterson Hood hielp bij de productie van het album[/ref] waarop ‘Dress blues’ een prachtig voorbeeld is van zijn gave om muzikale verhalen te vertellen. Het nummer gaat over een jongen van zijn middelbare school die in de oorlog in Irak om het leven kwam, waarin Isbell pijnlijk het verdriet van de nabestaanden beschrijft. Met excuses voor de melodramatische beelden in het fragment hieronder.

Na zijn Sirens of the ditch verzamelt Isbell The 400 Unit om zich heen, waarmee hij eerder dit jaar zijn tweede album uitbrengt. Een plaat waarmee hij zich ondertussen duidelijk heeft losgemaakt van de Truckers. Het is allemaal wat kalmer, akoestischer en vooral veel meer eigen. Maar de mooie verhalen uit Alabama, die zijn er nog steeds.

Deze blogpost verscheen eerder op Nummer van de dag, waar ik wekelijks over mijn favoriete nummer aller tijden schrijf. Van die dag dan…

Nummer van de dag: ‘A sight to behold’ van Gojira

Afgelopen week scrollde ik weer eens door de metalplaylist op 22tracks, in de hoop wat nieuwe metal te ontdekken om mijn opvatting te ontkrachten dat er in dat genre de laatste jaren niet zo veel spannends meer gebeurt. Helaas bleek Mastodons nieuwe track ‘Black tongue’ er met kop en schouders bovenuit te steken. Virtuoos hoor, dat Opeth, maar ik word er zenuwachtig van en mijn bloed gaat er niet sneller van stromen. Ringworm weet dat nog wel voor elkaar te krijgen, maar barst ook van de riffs die al wel eerder heb gehoord. En wat doet Jasta überhaupt in die playlist? Terug naar m’n eigen platenkast dan maar weer.

Op zoek naar een van de weinige metalbands die sinds Mastodon nog wel heeft weten te verrassen, bleef ik terugkomen bij Gojira. Deze Franse band bestaat sinds 1996 (sinds 2001 pas onder de naam Gojira), dus zo heel nieuw zijn ze niet, maar ik merkte de band pas op bij hun in 2008 uitgebrachte The way of all flesh. Complete intensiteit in iedere seconde muziek, zonder constant op vol vermogen te blazen en de ene complexe riff op de andere te stapelen. Hoewel riffjunkies meer dan genoeg aan hun trekken komen bij deze band, zijn het juist de subliem geconstrueerde gitaarlagen en dynamiek die het echt fascinerend maken. En natuurlijk ook de momenten waarop de band wél als een bezetene raast en tekeer gaat.

Geen gebluf

Van dat album is ‘A sight to behold’ met afstand het rustigste nummer, maar daardoor niet minder interessant. Sterker nog, de constante dreiging van een hel die op punt van losbarsten staat maakt het juist zo intrigerend. Het intro doet misschien nog vrezen voor een staaltje industrial wansmaak en ook de vocoder over de vocalen van zanger/gitarist Joe Duplantier  zal wat wenkbrauwen doen fronsen. Gelukkig kondigen de drie volvette powerchords op 0:45 aan dat het tijd is voor de gitaren. Het terugkerende gitaarthema dat hier voor het eerst te horen is, gebruikt de tapping-techniek niet omindruk te maken met duizelingwekkend snelle notenwisselingen, maar gewoon om een even pakkende als vette riff neer te leggen.

Gojira stelt functionaliteit dus boven het bluffen met technische trucjes en dat mag ik wel. En dan af en toe tóch even stiekem laten horen dat je dat ook kunt, zonder dat het teveel opvalt. Zoals bijvoorbeeld in het stuk voor de bridge, waarin drummer Mario Duplantier (inderdaad, het broertje van de eerder genoemde zanger/gitarist) indrukwekkend voetenwerk laat horen op zijn dubbele bass en er op 2:42 een monsterlijke drumroffel uitramt. Ook tekstueel is Gojira anders dan de meeste metalbands. ‘A sight to behold’ is weliswaar geen gezellig verhaaltje over koetjes en kalfjes, maar in de woorden schemert wel door dat we het vernietigen van de aarde vooral aan onszelf te danken hebben en dat daar ook de oplossing moet worden gezocht. De bandleden voelen zich ook niet te evilom in interviews tips te geven om het milieu te sparen en bij sommige shows zijn zelfs stands van Greenpeace te vinden. Een ander geluid dus, in alle opzichten.

Mocht je trouwens vinden dat ik in die eerste alinea complete onzin heb verkondigd en geniale nieuwe metalbands over het hoofd heb gezien, laat het in de comments hieronder vooral weten. Ik zie mijn ongelijk graag tegemoet.

Deze blogpost verscheen eerder op Nummer van de dag, waar ik wekelijks over mijn favoriete nummer aller tijden schrijf. Van die dag dan…

Categorieën:Blog Tags:, ,

Nummer van de dag: ‘Estranged’ van Guns N’ Roses

Eerlijk gezegd heb ik nog even getwijfeld of het wel zo handig zou zijn om dit stuk te voorzien van de originele videoclip die Guns N’ Roses eind 1993 schoot voor ‘Estranged’. De grootheidswaan van Axl had tegen die tijd onvoorstelbare proporties aangenomen met als resultaat een clip die de decadente cinematografie van de voorgaande video’s van ‘Don’t Cry’ en ‘November Rain’ in het kwadraat overtrof. Helaas is de samenhang met de muziek die die twee clips kenmerkt bij ‘Estranged’ niet helemaal aanwezig, waardoor het allemaal juist eerder afleidt van de muziek, dan het versterkt.

Zonde, want muzikaal gezien is het voor mij juist een van Guns N’ Roses’ meest fascinerende nummers. Allereerst omdat het zich niet houdt aan de conventionele regels die een nummer indelen volgens coupletten, refreinen, een brug en een obligate gitaarsolo, maar vooral ook omdat ‘Estranged’ haast een duet is tussen de zang van Axl Rose en Slash’ gitaar. Sterker nog, het lijkt er haast op dat Axl hier in de schaduw zingt van Slash’ gitaarwerk. Slash wordt nogal eens een overschatte gitarist genoemd, maar dit nummer belichaamt voor mij zijn feilloze gevoel voor melodie en de ondefinieerbare oerkracht van gitaarmuziek.

En garde!

Aan het begin van het nummer heeft Axl nog alle controle, ingetogen zingend over zijn eigen dreigende pianotonen en donker zoemende gitaar. Op 0:24 neemt Slash’ gitaarthema het stokje al brutaal over en breekt het nummer muzikaal open. Geen duizelingwekkend gitaarwerk maar een slepende melodie die zo gebruikt had kunnen worden voor de theme song van een James Bond-film. Op 0:48 komt Axls zang terug met een vastberadenheid die doet vermoeden dat de vocalen vanaf hier weer de boventoon gaan voeren. Slash’ gitaar soleert ondertussen echter onopvallend door, om na het aftellen van Axl op 1:11 weer in een prachtmelodie op te duiken en voort te vloeien in een marsritme van drummer Matt Sorum… alsof de onuitgesproken strijd tussen zang en gitaar nog eens extra benadrukt wordt.

Dat spelletje loopt nog even door tot 3:47 waarop piano en bas een bluesy rustpuntje inlassen en verder gaan in een instrumentaal intermezzo. Slash houdt zich hier op de vlakte en geeft Axl alle ruimte om vanaf 5:23 zijn plek in de spotlight weer over te nemen en zichzelf weer wat moed in te zingen.

When I find out all the reasons
Maybe I’ll find another way
Find another day
With all the changing seasons of my life
Maybe I’ll get it right next time

De genadeklap

Slash gunt hem zelfs daarna nog een extra rondje zang, maar vanaf 6:06 begint hij aan zijn eerste echte solo van het nummer. ‘Estranged’ wordt opnieuw uit zijn zwaarmoedige beklemming getild en bouwt via scheurende bends en nonchalante hammer-ons en pull-offs soepeltjes naar een eerste climax. De genadeklap moet echter nog komen. Terwijl Axl zich in de clip door dolfijnen laat redden nadat hij vanaf een olietanker zijn dood tegemoet is gedoken (een welgemeend WTF! is hier wel op zijn plaats), bouwt Slash met wat zwevende flarden gitaar toe naar het moment waarop het nummer op 7:58 aan het slot van zijn epische zegetocht begint.

Alle beheersing die zijn gitaarspel tot dan toe tekende valt weg en nietsontziend giert zijn Gibson Les Paul naar een climax die naar mijn smaak helaas wel iets te snel komt. Weliswaar heb je op dit moment al acht minuten muziek te verteren gehad, maar die solo had van mij nog wel twee minuten langer mogen duren voor het dramatische slotakkoord en de drumroffel het epische nummer zachtjes laten sterven. Aan de andere kant, als je na dik negen minuten je luisteraar nog steeds met een honger naar meer kunt achterlaten, heb je als band wel iets geniaals neergezet.

Deze blogpost verscheen eerder op Nummer van de dag, waar ik wekelijks over mijn favoriete nummer aller tijden schrijf. Van die dag dan…

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.