
foto: Dennis ten Hove
Geen mooier seizoen voor de grimmige rootsfolk van Wovenhand dan de donkere winter. De band van 16 Horsepower-frontman David Eugene Edwards treft op deze koude winteravond een uitverkocht Hedon. Die volle zaal mag eerst nog wel even kennismaken met Seven Seas Duet, een excentriek duo uit Griekenland.
Met de levenservaring van deze karakteristieke Grieken zit het ongetwijfeld goed, maar hun muzikale verhaal doet bij veel bezoekers de wenkbrauwen wel even fronsen. Met verschillende instrumenten die hun oorsprong ongetwijfeld ver terug in de mediterrane geschiedenis vinden, spelen ze een folkloristische mengelmoes die ook in de zang weinig houvast biedt. De vrije opvatting die de heren er over toonvastheid op na houden werkt ook niet echt mee.
Een wat ongemakkelijke aanvang van de avond dus, die duidelijk pas echt begint als David Eugene Edwards het podium betreedt. De vastberaden blik in zijn ogen verraadt een mooi plan voor deze avond en de eerste zware tonen bevestigen dat beeld. Vooral de ritmesectie van zijn band legt vol overtuiging een onverwoestbare bodem waarop Edwards zijn haast ceremoniële show kan bouwen. De geconcentreerde bezieling waarmee hij te werk gaat lijkt misschien een uiting van introversie, maar het priesterbloed dat door zijn aderen stroomt maakt dat hij zelfs zittend op een stoel nog makkelijk een complete zaal in vuur en vlam kan zetten.
Die energie wordt naast zijn bezwerende stem en sublieme gitaarspel voor een minstens even groot deel gekanaliseerd door de dynamiek van zijn band. Natuurlijk is er veel ruimte voor prachtige, ingetogen spanningen maar met name drummer Ordy Garrison laat zich geregeld gelden als een perfecte aanjager voor de geluidsstormen die vanaf het podium door de zaal razen.
Vooral nieuwere nummers van het eerder dit jaar verschenen ‘The threshing floor’, met bijzondere vermelding voor het titelnummer, lenen zich hier uitstekend voor. Als na een uur en een kwartier de band moegestreden het podium verlaat, is de toegift bijna overbodig gezien de knap opgebouwde en perfect geëindigde spanningsboog. Edwards en de zijnen lijken echter nog wat olie voor op het vuur te hebben en zo krijgt het publiek alsnog de toegift waar het hongerig op wacht, om vervolgens met gloeiende oren weer de kou ingestuurd te worden.
Deze recensie verscheen eerder op CuttingEdge.nl. Daar kun je ook de fotoreportage bekijken die Dennis ten Hove die avond maakte.
Hoeveel swing kan er zitten in één scheurend orgel en twee aftikkende drumstokken? In ieder geval meer dan sommige bands in hun complete album weten te stoppen, zo bewijst openingstrack ‘Godspeed’ van Shaking Godspeeds debuutalbum ‘Awe’. Het is de dreigende voorbode van een plaat vol krankzinnig gitaarwerk, loeiende orgels en bijna machinaal pompende drums. Zanger/gitarist Wout Kemkens is daarbij de vastberaden kapitein die dit schip op ramkoers op volle kracht en nietsontziend vooruit blaast.
De geschiedenis van de Nederlandse band ligt in de Achterhoek, waar met The Bloody Honkies de eerste stappen werden gezet op het onheilspellende pad dat Shaking Godspeed op ‘Awe’ betreedt. Gierende blues, aangevuld met pure rock en doordrenkt met psychedelica, vormt het hoofdbestanddeel van de geniale formule die de band hier laat horen. Een formule die ook nog eens verrassend aantrekkelijk werkt, want hoewel het woud aan vlijmscherpe riffs en zuigende orgeltonen aanvankelijk ondoordringbaar lijkt, klinkt erachter toch iets geheimzinnigs dat de luisteraar niet meer loslaat.
In toegankelijkere nummers als ‘Lately’ en ‘X-ray eyes’ liggen die kwaliteiten duidelijk wat meer aan de oppervlakte, maar het loont misschien nog wel meer om je door de minutenlange waanzin van ‘People wait, people listen’ heen te vreten en uiteindelijk in ‘Don’t have time’ het allesomvattende hoogtepunt van de plaat te ontdekken. De combinatie van het jagende orgel en de bijna liturgische backing vocals doen haast denken aan bizar soort kerkdienst, waarin Kemkens zijn volgelingen op het bezetene af toezingt.
Ook al telt de band maar drie leden, ‘Awe’ is een plaat geworden waar muzikaal veel op te ontdekken valt. Van orgels die door een gitaarversterker getrokken lijken te worden tot drumaccenten die je op het verkeerde been zetten, Shaking Godspeed weet met drie man een groots en indrukwekkend geluid neer te zetten. Dit is deels te danken aan afwijkende productie, maar in minstens even grote mate aan de verfrissende creativiteit die binnen de band als een onstuimige rivier lijkt te stromen.
Deze recensie verscheen eerder op CuttingEdge.nl
Alsof er een wand van ijs tussen podium en publiek staat, zo lijkt het concert van de Drive-By Truckers in het noordelijke poppaleis te beginnen. Aan het publiek ligt het niet, maar het duurt merkbaar even voor op het podium de juiste temperatuur wordt bereikt om door die barrière heen te breken. Na enkele slordige en wat ongeïnspireerd uitgevoerde nummers is het opvallend genoeg het rustige ‘Santa Fé’ (door Patterson Hood opgedragen aan zijn familie thuis) dat eindelijk opgelucht adem doet halen. Hood lijkt de Groningse zaal voor even te zijn vergeten en gaat volledig op in het nummer, waarmee zijn stem gelijk tot een veel indrukwekkender niveau stijgt.
Helaas heeft het publiek zich dan onder andere al wel door een tergend langzame versie van ‘This fucking job’ heen moeten bijten. Opvallend genoeg zonder al te veel gemopper vanuit de zaal, die blindelings in een goede afloop van de avond lijkt te geloven. En terecht, want de tweede helft is beduidend beter en schuurt soms tegen de perfectie aan. Qua geluid, maar ook wat betreft de band zelf. Hoewel Mike Cooley niet in zijn allerbeste humeur lijkt te zijn, is zijn stem van begin tot eind de constante factor van de show. Scherp en warm tegelijk, doordrenkt van melancholie en altijd precies de juiste noten rakend.
De rol die bassiste Shonna Tucker toebedeeld krijgt is vanavond helaas wat beperkt. Evenals haar basspel is ze bescheiden maar onmisbaar weggestopt in een hoekje, om alleen in de toegift tijdens ‘(It’s gonna be)/ I told you so’ even te schitteren. Zonde, want een live-uitvoering van ‘The purgatory line’ of ’I’m sorry Huston’ had deze avond geen kwaad gedaan. Gelukkig wordt er wel gekozen voor een afsluiter van formaat, het van magnus opus ‘Southern rock opera’ afkomstige ‘Let there be rock’. Hierin kunnen de gitaristen Hood, Cooley en Neff eindelijk zonder gêne doen wat ze eigenlijk de hele avond al doen: elkaar de loef afsteken met sluwe riffs en smerige solo’s.
Hoewel Cooley en Hood wat dat betreft allebei hun mannetje staan, moeten ze het toch echt afleggen tegen de virtuoze John Neff, die met zijn sublieme spel op zowel gitaar als de pedal steel de hele avond lang onopvallend de show steelt. Andere blikvangers zijn de twee nieuwe nummers die worden gespeeld en op het aanstaande album ‘Go-Go boots’ zullen staan. De plaat verschijnt in februari en zou gezien deze twee nummers wel weer eens een kalmere kant op kunnen gaan. Het betekent in ieder geval dat de band snel terug zal keren, zo bevestigt ook Patterson Hood. Wij zien ze graag weer en hopen dan wel op een nog iets overtuigendere show.
Deze recensie verscheen eerder op CuttingEdge.nl